Soms is koken zo makkelijk. Je loopt bij de Dirk, je ziet een goedkope flessehalspompoen en een zak snijbonen. Je wandelt naar huis, door een grijze middag, en je mijmert wat over van alles en nog wat, dingen die je hebt meegemaakt, zou willen meemaken, gaat meemaken, had kunnen meemaken. Je denkt niet echt na over wat je wil eten of waar je trek in hebt maar als je thuis bent gaat alles vanzelf: je zet de oven aan en roostert een halve pompoen, je stooft de snijbonen gaar in bouillon met veel knoflook, je roert een rokerig aards sausje van tahin met komijn. Een klein uurtje later laat je deze glorieuze salade achter op het aanrecht voor je liefje terwijl je zelf de stad in gaat voor een pizza, en savonds krijg je een sms dat het eten zo ontzettend lekker was. Welk eten? O ja, die salade die niet bedacht was, niet gepland, die gewoon zomaar vanzelf ontstond.
Zoete pompoen, grassige bonen, geheimzinnig sausje. Eet op kamertemperatuur, en ook de volgende dag is het nog erg lekker.
Verwarm de oven voor op 200 C. Schep 500 gram flessehalspompoen (in kleine blokjes) om met een beetje zout en peper en een klein beetje olie. Spreid ze uit op een bakplaat en rooster ze 20 minuten, of tot ze goudbruin en zacht zijn maar niet papperig. Laat afkoelen.
Verhit een scheutje olijfolie in een koekenpan met deksel. Bak hierin op hoog vuur 500 gram snijbonen (in schuine stukjes - zorg dat ze droog zijn als ze de pan in gaan) 5 minuten, ze moeten net bruin beginnen te worden. Draai het vuur laag, doe er een flinke teen in plakjes gesneden knoflook bij, bak die heel even mee. Voeg 200 ml bouillon toe. Laat afgedekt 10 minuten stoven. Laat dan op hoog vuur onafgedekt het vocht wat inkoken. Laat afkoelen.
Roer een sausje van 1 1/2 eetlepel tahin, 1 eetlepel citroensap, scheutje granaatappelsiroop, zout, een flinke snuf komijn, en zoveel water tot je een gladde, dunne saus hebt.
Schep de pompoen en snijbonen door elkaar en giet de saus erover. Bestrooi met wat chilivlokken.
Goed nieuws: de recepten index is weer helemaal bijgewerkt, tot en met de onverantwoorde tomatensoep van vorige week. Ik ga maar geen excuses maken voor het feit dat ik die index weer hopeloos had laten verslonzen: dat is gewoon een feit, zoals het ook een feit is dat jullie nu weer fijn kunnen rondneuzen in het receptenarchief (zelf ontdekte ik ook weer een paar geliefde gerechten die ik alweer bijna vergeten was: dat is het voordeel van dingen langzaam doen, je wordt nog eens door jezelf verrast.)
En om bij het thema te blijven: onlangs heb ik, als vermoedelijk de laatste foodie ter wereld, me voor het eerst gewaagd aan het inmiddels beroemde no-knead-bread. De hype begon alweer jaren geleden, en er circuleren inmiddels ontelbaar veel recepten. Mijn eigen variant baseerde ik niet op het oer-recept uit de NY Times, waarmee het in 2006 allemaal begon, maar op het recept uit Artisan bread in 5 minutes a day van Zoe Francois en Jeff Hertzberg. Wat me aan hun methode aanspreekt is dat je een grote bak deeg maakt en die in de koelkast bewaart, maximaal 2 weken, en dan gewoon een klein broodje kunt bakken wanneer je zin hebt. Ideaal voor ons 2-persoonshuishouden waar naar verhouding erg weinig brood gegeten wordt (we zijn allebei overtuigde crusli-ontbijters).
Ik wil graag zelf brood bakken, maar het moet me dan wel zo makkelijk mogelijk gemaakt worden. Hun recept is doodeenvoudig (bloem, gist, water en zout in een grote plastic bak door elkaar roeren, die een paar uur op kamertemperatuur laten staan, dan in de koelkast bewaren) en naarmate het deeg langer 'rijpt', wordt het lekkerder en krijgt het zelfs een beetje zuurdesem allures. Maar toen ik het hoofdstuk over 'nu gaan we bakken' las ging het toch mis. Ik moest een 'bakers peel' kopen, zo'n dunne houten plank waarmee je je brood in en uit de oven kunt schuiven. En een steen om in de oven te leggen die de warmte vasthoudt zodat je brood gelijk een hitte boost krijgt. Gelijk had ik het gevoel dat er allemaal drempels werden opgeworpen die tussen mij en simpel, smakelijk, versgebakken brood kwamen te liggen.
Maar ik herinnerde me dat het NY Times brood helemaal niet op een steen wordt gebakken maar in een pan. En ik dacht: in plaats van op een ovensteen, kan dat brood natuurlijk ook in een flink voorverwarmde ovenschaal.
Het eerste brood, van gewoon wit meel, was al erg lekker. De tweede versie (op de foto's) van van half wit meel, een kwart volkoren spelt en een kwart vokoren kamut meel. Al een stuk interessanter van smaak, en de mogelijkheden zijn natuurlijk eindeloos.
Dit weekend was het onwaarschijnlijk prutweer, ik was thuis aan het werk en was door mijn rug gegaan en wilde om al die redenen niet naar buiten. Wat een luxe om dan gewoon een stukje deeg uit de koelkast te halen. Ruim een uur later sneed ik een warme boterham af.
Ik maakte tomatensoep. In februari. Met van die kleine aanstellerige tomaten, die als ' snoeptomaatjes' in de winkel liggen, geimporteerd uit Marokko. En, om het nog een beetje erger te maken, met basilicum. Het had een zomeravond kunnen lijken, als het buiten niet min3 was geweest en wij niet met onze dikste sokken aan en de gordijnen dicht op de bank hadden gelegen, klaar voor Mad Men.
Maar we waren katerig, er was bijna niks in huis, ik had zin in soep. Gelukkig vond ik nog een struikje Hollandse, winterse witlof in de koelkast. Eerst wilde ik daar een salade van maken, maar toen dacht ik: tomaten en witlof? samen in de soep? waarom niet?
Het werkte wonderwel. Het lichte bittertje van de lof was een mooie achtergrond voor de zurige tomaatjes. Crackers met kaas erbij en overgebleven spinazie tortilla. Beter zondagavond diner had ik niet kunnen bedenken als ik er speciaal voor naar de winkel was gegaan.
De basilicum had ik nog liggen, en tomaat en basilicum, daar kan natuurlijk niks mis mee zijn, maar als je deze soep een wat winterser karakter wil geven zou ik er verse tijm, rozemarijn of oregano door doen.
Tomaten-witlofsoep
300 gram kleine rijpe tomaatjes, in stukjes 1 sjalotje, gesnipperd 1 teen knoflook, gesnipperd 1 flinke struik witlof, in stukjes gesneden 40 ml bouillon, kip of groente scheutje olijfolie vers kruid naar keuze 1 eetlepel tomatenketchup (optioneel, voor een extra zoetig tomatenaccentje) peper, zout.
Verhit de olie in een kleine pan en stoof hier in de sjalot en knoflook op laag vuur tot ze glazig zijn. Doe de tomaat erbij en stoof even mee. Doe bouillon en witlof erbij, peper en zout en de verse kruiden, breng aan de kook en laat 15 minuten zachtjes koken. Pureer met de staafmixer en roer eventueel de ketchup erdoor. Als je een gladde soep wil zonder tomatenvelletjes en -pitjes kun je hem zeven. Ik vond dat voor een lekker onverantwoord soepje niet nodig.
In Amerika zijn pannenkoekjes typisch ontbijt-eten. Dan moet je niet denken aan onze Hollandse pannenkoek, formaat pizza, maar aan de kleine, dikke American pancake die luchtig is door bakpoeder of soms zelfs gist. Zoete pannenkoekjes, soms met fruit erin als bosbessen, overgoten met ahornsiroop, en dan met een bergje gebakken aardappel ernaast én een stapeltje plakjes uitgebakken spek. Als anti-kater ontbijt kan dat best lekker zijn,. maar verder vind ik zelf dat soort pannenkoekjes eigenlijk fijner als toetje (maar zie bijvoorbeeld hier voor multi-inzetbare speltpannenkoekjes die zowel zoet als hartig op te tuigen zijn).
Dit weekend maakte ik voor Dennis' verjaardagsbrunch deze citroen ricotta pannekoekjes en ik geloof dat ik daarmee mijn favoriete dessert-pannenkoek gevonden heb. Fris door de citroen, luchtig door het geslagen eiwit, en zacht, romig, bijna custard-achtig van binnen door de ricotta.
Tijdens de brunch aten we ze met gebakken appels zoals Smitten Kitchen aanbeveelt (maar zonder de kaneel in de appels, want dat vind ik met ricotta en citroen niet zo'n geslaagde combinatie). Ik had beslag over en de volgende dag aten we de laatste warme pannenkoekjes alleen met een beetje honing erover gedruppeld.
Wil je er een echt indrukwekkend toetje van maken, geef dan ijs bij de warme pannenkoekjes. En/of een flinke klodder lobbig geslagen room.
Citroen-ricotta pannekoekjes
4 eieren, gesplitst 250 gram ricotta 1 1/2 eetlepel suiker rasp van 1 citroen (of meer voor een sterkere citroensmaak) 50 gram bloem boter om te bakken.
Doe de ricotta met de dooiers, suiker en citroenrap in een kom. Roer los. Schep de bloem erdoor. Klop de eiwitten stijf en spatel ze voorzichtig door het ricotta mengsel.
Smelt een klein klontje boter in een grote koekenpan. Schep volle eetlepels beslag in de pan. Bak op matig vuur tot de pannenkoekjes aan de bovenkant beginnen te stollen. Keer ze om en bak nog even tot ook de andere kant goudbruin is.
Hou de pannenkoekjes warm in een matig warme oven of op een vuurvast bord op een pan met heet water. Serveer met ahornsiroop of honing, ijs, slagroom, of waar je maar zin in hebt.
.. van een avondje borrelen en eten ter ere van Dennis' verjaardag. Voor het eerst sinds jaren geen etentje bij ons thuis, maar wel een verrassingsavond met zijn oudste vrienden in Amsterdamse favorieten Welling en Loetje. Uit vreugde over het feit dat ik niet hoefde te koken heb ik zo hard feest gevierd, als ware het mijn eigen verjaardag.
De jenevers vloeiden, de biefstuk lag in een fijne poel van jus, Loetje was een chaotische maar goed gesmeerde heksenketel, de jarige werd niet voor 100 % verrast maar had toch een mooie avond.
Vorige week had ik de eer uitgenodigd te worden voor de presentatie van wat zomaar een kleine revolutie in het vlug-klaar-vlees schap van de supermarkten zou kunnen worden: de verse scharrelworsten van Mister Kitchen.
Wie van braadworst houdt, heeft in Nederland weinig keus. Liggen in Engeland en Frankrijk de verse braadworstjes bij elke slager torenhoog opgestapeld, en kun je kiezen uit allerlei soorten vlees (wild, varken, kalfs, lams) en smaken (ik denk nog wel eens met heimwee aan de salie-appelworstjes die ik ooit in Yorkshire at), in Nederland moet je naar de Turkse winkel voor merguez als je eens iets anders wilt dan flauwe varkensbraadworst. En dat terwijl worst zo'n ideaal vleesproduct is: vlees met een smaakje, snel klaar, multi-inzetbaar, en iedereen vindt het lekker.
De mannen van Mister Kitchen ontwikkelden 3 verse worstjes: twee varkensworsten (1 met venkelzaad en tijm, 1 met nootmuskaat en bieslook) en een kalfsworst met mosterd en verse peterselie. Op het 3 gangen worstdiner werden ze gepresenteerd, terwijl de varkensboer Henk Schellekens van Bon Vivant uitleg gaf over zijn bedrijf en darmen specialist Raymond Bertels van Van Hessen meer vertelde over dat onderschatte, weinig besproken, maar voor worst onmisbare product: de darm waar het worstje in verpakt zit.
Het gesprek onder de aanwezige culibloggers en eetjournalisten ging al snel over het verschil tussen biologisch en scharrelvlees, en wat nou beter is en waarom (de worst van Mister Kitchen is scharrel), de bezwaren van een kalfsworst in een varkensdarm, en de kiloprijs van het eindproduct. Verrassend weinig werd er gesproken over hoe de worstjes smaakten.
Wie hier vaker leest, weet dat ik me zelden waag aan ethische, economische en duurzaamheids-discussies. Niet omdat ik geen mening heb, maar omdat ik bijna altijd vind dat ik van de onderwerpen waar het dan over gaat, niet genoeg verstand heb om die mening ook te verkondigen aan anderen. Hoe meer ik lees over, bijvoorbeeld, het 'vleesprobleem', hoe minder ik er van begrijp.
Maar als het over smaak gaat is het een ander verhaal.
En de smaak van deze worst? Die is gewoon heel erg goed. De venkel - tijm worst was mijn favoriet: een kruidige sappige worst met de milde smaak van venkelzaadjes. Het kalfsworstje had een verfijnde mosterdsmaak en een riante hoeveelheid verse peterselie - de smaak was geweldig, maar je kunt er niet omheen dat een worst van kalfsvlees een bepaalde smeuigheid mist. De nootmuskaatworst tenslotte was de überhollandse braadworst, braadworst zoals alle braadworst zou moeten smaken, het perfecte worstje voor bij een bord bloemkool en gekookte aardappels of een pan stamppot.
Als je van goede worst houdt dan zijn dit worsten om naar uit te kijken. En als je het belangrijk vindt dat je vlees niet uit de bioindustrie komt maar afkomstig is van dieren die een goed leven hebben gehad, dan heb je nog een extra reden om je op deze worst te verheugen. Binnenkort in de winkel, vraag ernaar bij je supermarkt, en hou de website van Mister Kitchen in de gaten voor nieuws over verkooppunten.
de prachtige bonen van Rancho Gordo , hopelijk kan ik er een paar zakjes van meenemen als ik dit voorjaar in Californie ben
Veel receptenschrijvers vertellen hun lezers twee dingen over het koken van gedroogde bonen: - bonen moet je een dagje laten weken in water voor je ze gaat koken; - zout moet je pas toevoegen aan de bonen als ze bijna gaar zijn, anders blijft het velletje hard.
Het zijn dingen die ik zelf ook deed én verkondigde, tot ik ergens las dat het allebei overbodige voorzorgsmaatregelen waren en dat je ook met ongeweekte, vanaf het begin gezouten peulvruchten een heerlijk pannetje bonen op tafel kunt zetten. Goed nieuws voor luie en soms verstrooide koks zoals ik die meestal vergeten om 10 uur voordat ze willen eten hun bonen in de week te zetten, en die graag meteen aan het begin alle smaakmakers aan de pan toevoegen zodat ze een paar uur lang nergens meer over na hoeven te denken. Over die revolutie in mijn bonenkokerij schreef ik al eerder. Maar toen ik een paar dagen geleden iemand probeerde te overtuigen van mijn 'je kan er heus meteen zout erbij doen' mantra, kreeg ik de vraag: heb je wel eens een side by side test gedaan? Dat had ik dus niet. Duidelijk een gemiste kans! Dus kocht ik een paar pakken witte bonen bij de natuurwinkel. De helft werd te week gezet (12 uur, de verpakking schrijft 10 uur voor), de andere helft niet. Uiteindelijk had ik 4 pannen op het vuur: 2 pannen ongeweekte bonen waarvan er 1 gezouten was, 2 pannen geweekte bonen waarvan er 1 gezouten was. De ongezouten bonen kregen hun zout toen ze al gaar waren, en ik voegde zout toe tot ze op de smaak waren die ik lekker vond.
Ik zal jullie verder niet vermoeien met het testproces, laat ik alleen zeggen dat een paar uur lang elk kwartier 4 hapjes bonen proeven geen feest was. Meteen naar de resultaten dan maar! De geweekte bonen waren in iets meer dan een uur gaar. Gezouten en ongezouten waren op het zelfde moment even gaar en met geen verschil in de structuur van de velletjes. Wel moest ik aan de ongezouten bonen beduidend meer zout toevoegen om ze op het zelfde smaakniveau te krijgen als de bonen die vanaf het begin gezouten waren.
De ongeweekte bonen deden er ruim 2 uur over om gaar te worden. En ook toen ze helemaal gaar waren, bleef de structuur anders dan van de geweekte bonen: iets minder romig, iets compacter en steviger. Maar ook hier had het wel of niet toevoegen van zout geen effect op de kooktijd: gezouten en ongezouten bonen waren op hetzelfde moment gaar.
Conclusie?
Zouten aan het begin van de kooktijd? vooral doen. En gooi er dan gelijk nog wat meer smaakmakers bij, want bonen met alleen zout is ook maar saai. En teen knoflook, een paar takjes tijm of rozemarijn, wat laurier. Zelf doe ik er altijd een scheutje olijfolie bij, daar van krijgt het kookvocht een heerlijke smaak.
Weken kan, maar hoeft niet. Doe het als je er toch aan denkt, of als je houdt van erg zachte boontjes. Misschien hangt het ook af waar je ze voor wilt gebruiken. In soep of stoofschotel zijn de romige geweekte boontjes misschien lekkerder, in salades passen de ongeweekte boontjes beter. Hoe dan ook, het verschil in textuur is mijns inziens te verwaarlozen, en dat betekent dat je als je zin hebt in bonen, ze in een uur of 2 op tafel kunnen staan.
P.S. zorg er wel altijd voor dat je bonen redelijk vers zijn. Bonen die al 5 jaar in je keukenkastje liggen zullen er langer dan 2 uur over doen om eetbaar te worden.
In het Engels is het woord ´curry´ niet alleen bruikbaar om het specerijenmengsel aan te duiden én het kant en klare gerecht waar dat specerijenmengsel in verwerkt is, je kunt het ook als werkwoord gebruiken. Curried lentils, krijg je dan bijvoorbeeld. Linzen met een subtiel beetje kerrie. Of, 1 van mijn favorite Jane Grigson recepten: curried parsnip soup. In het Nederlands kan iets wel gepeperd, gekruid en gerookt zijn, maar niet gekerried. Toch is dat wat volgens mij de beste omschrijving voor dit simpele groentegerechtje: zoete pompoen, lichtzure tomaatjes en zijdezachte spinazie, aangeraakt door een kerrie-kus.
Door een kleine huishoudelijk miscommunicatie had ik ineens een hele zak spinazie over, en op het aanrecht lag al een week een klein Kabocha pompoentje te wachten op een goede bestemming. Dit is dus weer zo´n vegetarisch gerecht waar ik de laatste tijd veel over schijn te schrijven: een eenvoudig canvas om heel veel verschillende dingen mee te doen. Dit zou bijvoorbeeld heerlijk zijn bij gebraden kip, of met stukjes tofu of tempeh erin voor een vegetarsche maaltijd. Indiase paneer kaas of blokjes gebakken halloumi, ook een goed idee. Gepocheerd eitje er op zou ook erg lekker zijn, en alweer, net als met deze bonen, als je er een plens water of bouillon bij doet heb je instant soep.
De kwaliteit van het kerriepoeder is belangrijk. Gebruik ´vers´ poeder, geen zakje dat al een jaar in je rommelige keukenla ligt. Het lekkerst is om het specerijenmengsel zelf te maken, gebruik bijvoorbeeld deze eenvoudige formule hier.
Spinazie en pompoen met een beetje kerrie 300 gram pompoen, in blokjes (schoongemaakt gewicht) 1 grote ui, gesnipperd 1 flinke teen knoflook, gesnipperd 350 gram spinazie zonnebloemolie boter 2 theelepels kerriepoeder een snufje kaneel peper, zout, chilivlokken 150 gram zoete rijpe kerstomaatjes, gehalveerd
Verhit een scheutje olie met een klontje boter in een grote braadpan en bak op laag vuur de ui en knoflook glazig. Voeg de pompoen toe, kerriepoeder, kaneel, chilivlokken, peper en zout en bak op laag vuur een minuut of 5 of tot de pompoen zacht begint te worden. Snij de spinazie eventueel wat kleiner en doe in de pan. Voeg een klein scheutje water toe en laat met deksel op de pan zo´n 10 minuten stoven. Proef op zout en peper en roer de tomaatjes erdoor. Laat die nog 1 minuutje meewarmen.
.. maar dan lekker! Niet die melige boontjes uit blik in een zoetige, plakkerige ketchupsaus. Toen ik de voorraadkast opruimde vond ik een vol potje met saffraan, en een restje gedroogde witte bonen. Ik zag onmiddellijk een soort Spaanse witte bonenschotel voor me, met boontjes in een naar knoflook en saffraan geurende tomatensaus. Er ging nog een bijna vergeten venkelknol in en het resultaat was een bordje met eten dat verwarmend en vullend was op een koude maandagmiddag, maar dat ook tegelijkertijd smaakte naar de zon en een terrasje in Barcelona.
Wij aten het met een frittata met gerookte mozzarella en een salade. M'n oorspronkelijke idee (om zeep geholpen door een werkschema dat geen visboer-bezoek meer toeliet) was om er gegrillde gamba's bij te eten. Een stukje gebakken witte vis zou ook lekker zijn. En als je er wat extra water bij doet, heb je een heerlijke soep.
Ik heb het al véél vaker gezegd, maar zeg het nog maar een keer voor lezers die vandaag aanhaken: gedroogde bonen hoef je niet te weken. Het mág wel, maar hoeft niet. Als je vergeten bent je bonen een dag van tevoren in de week te zetten betekent dat niet dat je vandaag geen bonen kunt eten. Gewoon opzetten met koud water, een scheutje olijfolie en wat zout, en koken tot ze gaar zijn. Hoe lang dat duurt is moeilijk te zeggen omdat het afhangt van hoeveel je bonen in de winkel (en daarna in je keukenkastje) hebben doorgebracht, maar een uur of 2 is meestal genoeg. gewoon testen tot ze zijn zoals jij ze lekker vindt.
300 gram gedroogde witte bonen 1 blik tomatenblokjes plukje saffraandraadjes 2 tenen knoflook, gesnippperd 1 flinke sjalot, gesnipperd 1 venkelknol, in reepjes (bewaar wat venkelgroen om te garneren) olijfolie peper, zout
Zet de bonen op met ruim water, zout en een klein scheutje olijfolie. Breng aan de kook en kook dan op laag vuur tot ze bijna zacht en gaar zijn. Schep het meeste vocht uit de pan (of laat het erin als je een meer soepig gerecht wilt). Wrijf de saffraan fijn in een vijzel. Giet er een paar schepjes van het warme bonen kookvocht op. Doe dit weer bij de bonen, samen met het blik tomaten. Verhit een flinke scheut olijfolie in een koekenpan en bak hierin de ui en knoflook een paar minuten, tot ze zacht zijn maar niet bruin. Doe dit samen met de venkelreepjes bij de bonen. Proef op peper en zout, breng aan de kook en laat nog ca. 45 minuten zachtjes pruttelen. Garneer met het achtergehouden venkelgroen.
Een hoop weggegooid, een hoop teruggevonden waarvan ik vergeten was dat ik het had.
Ik blijk tot 2020 genoeg kaneelstokjes en gedroogde tijm in huis te hebben. En heel veel bouillonblokjes, dat ook, en heel veel minuscule restjes pasta. Ik zal maar niet zeggen dat ik mijn leven ga beteren, want die kans is klein. Gewoon af en toe flink de bezem erdoor!
Dit is wat je moet doen, als je een paar uurtjes de tijd hebt. Niet dat je die paar uur echt aan het fornuis hoeft door te brengen hoor. Je kan best tussendoor wat anders gaan doen. Werken, stofzuigen, langs je favoriete blogs surfen, twitteren. Als je maar elke 20 minuten even door de keuken wandelt om in de pan te roeren en de goddelijke geuren op te snuiven van dit doodsimpele, nederige, verschrikkelijk lekkere koolgerecht.
Je hebt niks méér nodig dan een witte kool, zo´n gladde jongen van ongeveer een kilo, die eruit ziet als een bowlingbal. Een beetje olie, 6 tenen knoflook, water, azijn en peper en zout. Dat is het. En dan, geduld. Eerst geduld en een beetje spierkracht om die bowlingbal in dunne sliertjes te snijden, daarna geduld om de 6 tenen knoflook héél héél zachtjes te laten zweten in de olie, en met argusogen op te letten dat de knoflook niet bruin wordt. En daarna dus het geduld om de kool een uur of 2 zachtjes te laten stoven, terwijl je af en toe roert, een scheutje water toevoegt en zorgt dat het een beetje bruin bakt maar absoluut niet aanbrandt.
Als je dat allemaal hebt gedaan, wat heb je dan? Een pan vol kool, die er, ik moet het toegeven, niet bijzonder aantrekkelijk uitziet. Maar proef. Fluweelzachte kool die smelt op je tong, zoet en geurig doortrokken van knoflook.
Wat doe je met die pan vol heerlijkheid? Eet het gewoon zo, als lunch met een geroosterd boterhammetje en misschien wat vlokjes Parmezaan. Als bijgerecht bij een gebraden kip of suddervlees. Heerlijk bij een klassiek gehaktbrood. Eén avond roerde ik deze kool samen met wat eetlepels crème fraiche, gebakken spekjes en wat fijngehakte rozemarijn door de pasta. En de restjes die ik overhad sudderde ik samen met een paar in blokjes gesneden zoete aardappels en wat verkruimelde, gebakken chorizo in een liter bouillon voor een bijna instant soep.
met een paar druppels goede balsamico
Gestoofde witte kool met knoflook 1 flinke witte kool 6 flinke tenen mooie, niet muf of sterk ruikende knoflook een flinke scheut olijfolie 3 eetlepels witte wijn azijn peper, zout water zoals nodig
Verwijder de buitenste bladen van de kool. Snij de kool in kwarten, verwijder de harde kern, en snij de kool in dunne reepjes. Snij de gepelde tenen knoflook in zo dun mogelijke plakjes. Verhit de olie in een braadpan met dikke bodem (op heel laag vuur)en doe de knoflook erbij. Verwarm de knoflook in de olie maar let heel goed op dat deze niet bruin wordt. Doe de kool erbij, zout en peper, en azijn. Laat met het deksel op de pan een kwartiertje stoven tot de kool wat geslonken is. Voeg dan een klein scheutje water tie en laat nog zo'n anderhalf uur stoven. Controleer de pan elke 20 minuten, en voeg zo nodig regelmatig een klein scheutje water toe. Je wil dat de kool een heel klein beetje bakt en lichtbruin wordt, zonder aan te branden.
Zondagmiddag, geen zin meer om achter de computer te zitten, dus ik ging een beetje rommelen in de keukenkastjes op zoek naar restjes van het een of ander om ´iets´mee te bakken. Ik vond een half zakje gedroogde pruimen zonder pit, overgebleven van de bijzonder decadente chocoladetaart met pruimen-armagnacpuree die ik een tijdje geleden voor een etentje had gemaakt. Iets gezonders dan dat wilde ik, iets met een stevige bite. Geen zin om een recept te gaan zoeken, dus ik deed maar wat - en het werkte! Nou is bakken niet echt mijn sterkste punt, dus ik ben altijd helemaal gelukkig als ik zelf iets verzin wat dan nog werkt ook.
Dit zou, denk ik, ook lekker zijn met dadels in plaats van pruimen, mocht dat toevallig het gedroogde fruit zijn wat er in jouw keukenkastje rondwaart. En gedroogde abrikozen of zelfs rozijnen kunnen ook, denk ik. En wat die rum betreft: terwijl ik de pruimen in stukjes sneed zag ik een flesje rum op het aanrecht waarvan ik oprecht niet meer weet waar ik het oorspronkelijk voor gekocht en gebruikt heb. Neem gerust een andere alcohol (armagnac of cognac is erg lekker bij gedroogde pruimen) of vervang de alcohol door een scheutje water.
De pruimenkoek is niet heel zoet en smaakt, het moet gezegd, behoorlijk gezond. Te gezond misschien om hem te laten fungeren als toetje, maar het is een heerlijk hapje bij de koffie of thee en zou ook een geweldige versnapering zijn voor in de lunchtrommel.
Pruimenkoek
175 gram gedroogde pruimen zonder pit sap en rasp van 1 sinaasappel 2 eetlepels rum 100 gram zelfrijzend bakmeel 50 gram havermout 75 gram lichtbruine basterdsuiker 75 gram boter in blokjes zout
Snij de pruimen in kleine stukjes en doe ze in een pannetje met sinaasappelrasp en -sap, en de rum. Breng aan de kook en laat een paar minuten zachtjes pruttelen. Neem van het vuur en laat afkoelen. Verwarm de oven voor op 180 C. Meng in een kom de bloem met de suiker, havermout en een flinke snuf zout. Kneed de boter erdoor tot je een korrelig deeg hebt. Roer daar de pruimen door en stort het mengsel in een licht met boter ingevette klein ronde of vierkante taartvorm. Bak ca. 20minuten, of tot de koek goudbruin is en de bovenkant knapperig.
Je hoort veel mensen klagen over januari. Dat het zo'n donkere gure maand is, zo'n desillusie als de decemberlichtjes en kerstbomen zijn onttakeld. Dat het nog zo lang duurt voor het lente wordt. Dat er niks lekkers te eten is (geen fijne groente, geen lekker fruit).
Hier wordt wel geklaagd, maar niet over januari. Ik hou juist erg veel van januari (en ook van februari!) Het zijn de perfecte wintermaanden, tijd om nog te genieten van al het heerlijks dat de donkere maanden te bieden hebben. Minder geforceerd en opgefokt dan december. Wie zegt dat je in januari niet allerlei leuke borrels en feestjes kunt organiseren? Daar hoeft het toch geen kerst voor te zijn? En in januari is het toch ook heerlijk thuiskomen in een gezellig met kaarsen verlicht huis waar de kachel brandt, waar je kunt opwarmen na een fietstocht door de regen, waar je een lekker pannetje van het een of ander op het vuur kunt zetten? Lente is het voor je het weet. Te snel, zoals zoveel dingen te snel gaan.
Misschien zijn veel mensen wel zo chagrijning in januari omdat ze, gedwongen door allerlei goede voornemens, op 'dieet' zijn gegaan. Daar heb ik geen last van - ik eet in januari net zo lekker als de rest van het jaar. En als dat 'lekker' toevallig wat minder vet of zoet of alcoholisch is, dan is dat omdat ik zo wíl eten, niet omdat het moet.
Januari is ook vaak de maand dat ik echte erwtensoep maak. De laatste tijd las ik her en der over vegetarische erwtensoep, en daar moest ik dan steeds een beetje schamper om lachen. Ik bedoel, als je Echte Erwtensoep kunt maken, die stijf staat van het varkensvet en die de hele dag moet sudderen, waarom zou je dan wat anders willen? Maar goed, dat is precies het antwoord natuurlijk: als je gewoon een lekker soepje wilt maken met wat minder vet en in wat minder tijd, dan maak je een vegetarische soep met spliterwten. Je moet het eindresultaat gewoon niet vergelijken met de versie voor carnivoren: dit soepje staat geheel op zichzelf. En maakt gelukkig, of je nou wel of niet de januari-blues hebt. En o ja, als je je écht geen spliterwten zonder varkensvlees kunt voorstellen, bak dan wat spekjes uit en strooi die over de soep.
Spliterwtensoep hoofdgerecht voor 2 personen
1 kleine winterpeen, in kleine blokjes 1 ui, gesnipperd 2 tenen knoflook, gesnipperd het wit van 1 dunne prei, gesnipperd 1/2 theelepel gemalen komijnzaad 1/2 theelepel gemalen korianderzaad paar takjes bladselderij, gesneden 200 gram spliterwten 1 liter groente of kippenbouillon olijfolie zout, peper boter, citroensap, chilivlokken, joghurt of zure room
Verhit een scheutje olijolie in een soeppan met dikke bodem en bak hierin de ui, prei, wortel, en knoflook zachtjes een minuut of 10. Doe de komijn en koriander erbij en bak deze even mee. Doe dan de selderij, erwten en bouillon in de pan. Voeg zout en peper toe, breng aan de kook en laat met het deksel op de pan ca 2 uur heel zachtjes koken. Je kunt de soep nu laten zoals ie is, of hem geheel of gedeeltelijk pureren. Voeg, afhankelijk van oe dik je je soep wil, eventueel nog wat water toe. Mijn soep was erg dik en had nog wel een kopje water nodig voor hij de door mij gewenste substantie had. Proef op zout en peper en roer en een klein beetje citroensap door.
Serveer met een lepel zure room, chilivlokken, en een sliertje gesmolten boter of goede olijfolie. De combi boter/joghurt/chilivlokken is, als ik me niet vergis, Turks (in ieder geval at ik het in Turkije voor het eerst) en werkt beter dan je misschien zou denken.
Boerenkool chips, hoe kom je er op? Ik hoor het jullie denken. Nu zou ik graag de credits en het applaus voor dit geniale idee in ontvangst nemen, maar nee. Dit is zo´n recept dat al een jaar of wat over het hele wereldwijde web rondzweeft. En soms, als ik overal juichende verhalen over iets lees, krijg ik daardoor juist mínder zin om het te maken. Een soort dwarse recalcitrante ´ja ja het zal wel´ houding. Kinderachtig, ik weet het, en in dit geval ook nog eens heel erg dom.
Het duurde dus tot dit weekend voor ik eindelijk overstag ging. Ik zag bij de natuurwinkel zulke prachtige krakend verse hele boerenkoolbladen, en ik was op zoek naar een idee voor een groen en licht voorafje bij een etentje dat uitsluitend uit bruin en beige zou bestaan (puree, uienjam, geconfijte eendebouten, zuurkool). O, ja, die boerenkoolchips, laat ik dat dan eindelijk maar eens proberen.
Lezers, ik hoop dat jullie niet lijden aan dezelfde rare afwijking, want ik ga nu even heel erg enthousiast worden. Deze groene hapjes zijn verschrikkelijk lekker. De kool wordt onwaarschijnlijk knapperig (de blaadjes spatten in een soort vuurwerk in je mond uit elkaar) maar houden gek genoeg ook nog een beetje een bite. En het klinkt onmogelijk, maar ze smaken gezond en hebben tegelijkertijd de volmaakte vet/zout bevrediging van heel goed snackvoer. Enig nadeel? Je kunt niet ophouden ervan te eten. Hoeveel je ook maakt, het is altijd te weinig.
Zo´n 300 gram boerenkool levert een snackhapje op voor 4 personen bij de borrel. Maar toen ik het vandaag nog een keer ging maken, om het recept goed te testen, had ik er geen enkele moeite mee die hele berg chips in mijn eentje in één keer op te eten.
Verwarm de oven voor op 190 C. Bekleed een bakplaat met bakpapier (gebruik 2 bakplaten, of bak de chips in 2 ladingen). Scheur de kool in stukjes van de harde nerven. Was de stukjes in ruim koud water grondig, tot ze geheel zandvrij zijn. Droog ze, bijvoorbeeld in een slacentrifuge. Wikkel ze daarna nog in een droge theedoek, en laat ze vervolgens uitgespreid op een droge doek liggen. De krullerige boerenkool is moeilijk geheel droog te krijgen, maar elk druppeltje water zorgt ervoor dat je chips straks niet knapperig worden. Spreid de helft van de kool uit op de bakplaat. Giet er een eetlepel olijfolie over en masseer deze met je handen in de stukjes kool, zodat ze allemaal met een vettig laagje bedekt zijn. Bak ze 10-12 minuten. Ze moeten dan bros en knapperig zijn en een heel klein beetje beginnen te bruinen aan de randjes. Pas op dat ze niet te bruin worden, dan worden ze bitter. Neem ze uit de oven en bestrooi met zout en chilivlokken. laat een klein beetje afkoelen en eet dan meteen op, ze zijn het lekkerst als ze nog een klein beetje warm zijn. Herhaal met de rest van de kool. Je kunt ze niet bewaren, maar dat zal ook niet nodig zijn.
De kwaliteit van de video is niet geweldig, maar het is de enige die ik kon vinden op You Tube. Mijn goede voornemen voor 2011: blijven zoeken naar de liedjes die nog gezongen willen worden. Blijven zingen, blijven schrijven, blijven koken, blijven genieten.
One Little Song There’s gotta be a song left to sing Cause everybody can’t have thought of everything One little song that ain’t been sung One little rag that ain’t been wrung out completely yet Gotta a little left
One little drop of falling rain One little chance to try again One little bird that makes it now and then One little piece of endless sky One little taste of cherry pie One little week in paradise and I start thinkin’
There’s gotta be a song left to sing Cause everybody can’t have thought of everything One little note that ain’t been used One little word ain’t been abused a thousand times In a thousand rhythms
One little drop of falling rain One little chance to try again One little bird that makes it every now and then One little piece of endless sky One little taste of cherry pie One little week in paradise and I start thinkin’
Gotta be a song left to sign Cause everybody can’t have thought of everything One little song that ain’t been sung One little rag that ain’t been wrung out completely yet Till there’s nothing left
Onze Oudejaarsavond verliep wat anders dan gepland: we waren allebei te verkouden om de deur uit te gaan, moesten ons oud&nieuw feestje dus afzeggen, en zaten in plaats daarvan samen op de bank met een fijne film en een kopje kippensoep. Om 12 uur toch maar wel een glaasje bubbels gedronken en op het dakterras gekeken naar het vuurwerk van de stad. Geluisterd naar Happy New Year, het liedje waarbij we elkaar 18 jaar geleden op Oudejaarsavond hebben leren kennen. En toen redelijk op tijd en onbeneveld naar bed.
Om maar weer eens te bewijzen hoe weinig je hebt aan goede voornemens: van de plannen die ik had voor de kerstvakantie kwam bitter weinig terecht. Te verkouden om op mole ingrediënten uit te gaan, geen puf om erwtensoep te maken. Nou goed, koekjes heb ik wel gebakken. Eén uit drie, da´s toch niet slecht. Het glas voor driekwart vol.. we zijn optimistisch.
Deze groene thee-koekjes zijn dramatisch mooi en heel erg lekker. Door de grassige, licht bittere matcha thee en het feit dat er niet zoveel suiker in zit zijn dit, zo dacht ik, echt koekjes voor volwassenen. Maar toen nam ik ze vandaag mee op nieuwjaarsvisite naar vrienden met een dreumes van 2 1/2, en die verorberde er met smaak een stuk of 4.
Shortbread groene thee-koekjes dus, variatie op een recept van Dorie Greenspan. De uitroltip is, zoals vaker als het om tips van Dorie gaat, geniaal.
voor ca. 24 koekjes 100 gram zachte boter 50 gram poedersuiker snufje zout 1 eetl macha 100 gram bloem 1 eetlepel maizena 50 gram witte chocola, heel fijn gehakt (optioneel) beetje kristalsuiker om te bestrooien
Zeef de poedersuiker met de matcha en het zout. Doe de boter erbij en roer zalvig. Zeef de bloem met de maizena en voeg deze toe. Meng tot de bloem is opgenomen, niet langer. Roer eventueel de chocola erdoor. Neem een diepvries zak van ca. 3 liter inhoud en doe het deeg erin. Druk het uit tot een platte lap (eerst met je handen, daarna met een deegroller). Til het plastic af en toe op om ervoor te zorgen dat je niet teveel rimpels in het deeg krijgt. Rol de deegplak tussen het plastic uit tot een rechthoek van een halve centimeter dikte. Leg het deeg minstens 2 uur in de koelkast. Als je klaar ben tom te gaan bakken: verwarm de oven voor op 175 C. Leg de deegplak op een snijplank en snij of knip het plastic open. Snij de plak in vierkantjes of rechthoekjes. Doe dat met behulp van een liniaal als je gelijke koekjes wil (als je net als ik vind dat imperfectie en ongelijkvormigheid het kenmerk van zelfgemaakte koekjes hoort te zijn, doe je het gewoon op gevoel). Leg de koekjes op een met bakpapier beklede bakplaat en prik ze een paar keer in met een vork (dit voorkomt dat ze gaan rijzen). Bak ze 13-15 minuten. Ik heb de mijne iets te lang gebakken: ze mogen niet bruin worden, dan zijn houden ze die typische smelt-in-de-mond shortbread structuur.
Het kersttoetje van 2e kerstdag: Meringues met passievruchten-curd en frambozen. Gemaakt door mijn bonuskind. Ze kan bakken als de beste, waarschijnlijk door een combinatie van 2 voor bakkers broodnodige karaktereigenschappen: slimheid en onverschrokkenheid. Hoeveel 21-jarigen zouden voor het kerstdiner zowel hun eerste meringues als hun eerste curd durven maken?
Trots, dus. Niet omdat ik haar dingen geleerd heb (en die onverschrokkenheid heeft ze in ieder geval niet van mij), want wie ze is, heeft ze aan zichzelf te danken. Gewoon, trots, omdat het zo leuk is iemand in de familie te hebben die net zo gelukkig wordt van lekker eten als ik, iemand die me een sms´jes stuurt als deze:
´ik heb een koperen sauspan van sinterklaas gekregen! ik moet dat met iemand delen en jij begrijpt hoe leuk dat is!´
En die curd, die is verschrikkelijk lekker. En dat terwijl ik helemaal niet zo van passievrucht hou (zo ´niet´ zelfs, dat ik bij verrassingsmenus in restaurants, als de ober vraagt of er iets is wat ik niet lust, ik altijd zeg dat ik geen toetje met tropisch fruit wil). Ik kreeg de restjes mee naar huis en smeer het sinds zondag op alles wat ik tegenkom (en heb al een paar keer gewoon zomaar een lepel opgelikt).
Emma haalt haar inspiratie van Foodgawker, een verslavende verzameling van het beste van alle wereldwijde foodblogs. Hier de link naar het curd-recept!
Recept vandaag in nrc.next én NRC Handelsblad. Omdat de krant vandaag de online versies niet gepubliceerd heeft, plak ik ´m hier maar even in!
Eetbare champagne Eén van de origineelste feestjes die ik ooit bezocht was een bubbelspartijtje. Dat klinkt een beetje als de ballenbak van Zweeds meubelwarenhuis, maar het was veel leuker (en bepaald niet geschikt voor kinderen): vrienden hadden in de eerste week van januari iedereen opgetrommeld om langs te komen met hun van oudejaar overgebleven flessen mousserende drank, en een avond lang dronken we alleen maar champagne en champagne-achtigen. Het was fascinerend om te merken dat ik weliswaar van bijna elke prikwijn vrolijk word, maar dat qua smaak en mondgevoel toch echt de ene fles bruisend vocht de andere niet is. Omdat de kookcolumn deze week in het teken staat van alle soorten mousserende wijn, ging ik nadenken over koken met champagne. Ik bedacht me al snel dat eigenlijk elke champagnesaus, -mousse en 'bonbon met champagnevulling' die ik ooit heb geproefd, een teleurstelling was - de smaak is meestal niet van gewone witte wijn te onderscheiden, en de typische bruis verdwijnt geheel. Het internet bood redding: met de hulp van een paar aardige mensen op mijn favoriete culinaire forum kwam ik uiteindelijk op deze champagnegelei. Zonder suiker, dus te gebruiken in hartige gerechten, en met sappige, knapperige granaatappelpitjes die als juweeltjes schitteren in de doorzichtige gouden jelly, waarin ook écht nog bubbeltjes zitten. Wat doe je met die schaal eetbare champagne? Maak er hapjes mee, zoals de hieronder beschreven toastjes met eendenborst. Of, schep blokjes gelei op een salade met venkel en garnalen. Serveer de gelei in je mooiste kristallen borrelglaasjes als amuse bij een chic diner. Voor de nieuwjaarsbrunch kun je de gelei met klodders gezoete roomkaas op warm geroosterd brood smeren. Maar wees gewaarschuwd: het blijft pure champagne… nieuwsgierig hoe het experiment had uitgepakt at ik er sochtends vroeg een paar happen van, en die stegen acuut naar mijn hoofd.
Champagnegelei met granaatappel - 700 ml mousserende wijn, gekoeld - 8 blaadjes (16 gram) kleurloze gelatine - pitjes van een halve granaatappel Week de gelatine 5 minuten in koud water. Verwarm 200 ml. van de wijn. Laat niet koken. Knijp de gelatineblaadjes uit en los ze al roerend op in de warme wijn. Laat een kwartiertje afkoelen. Doe de granaatappelpitjes in een schaal van ca. 20 x 30 cm. Giet de (koude) 500 ml wijn bij het gelatinemengsel, en giet dit meteen op de granaatappelpitjes. Je wilt de boel zo min mogelijk in beweging brengen, dan houd je de meeste bubbels. Als het goed is verdelen de pitjes zich vanzelf gelijkmatig door de gelei. Zet de schaal afgedekt een nachtje in de koelkast. Doop voor je de gelei wilt gebruiken de onderkant van de schaal kort in heet water. Besmeer, bijvoorbeeld, sneetjes geroosterd stokbrood met mayonaise en maal daar peper over. Beleg met blaadjes waterkers, rol een nestje van een plakje gerookte eendenborst, leg dit op de waterkers, en vlei er een blokje gelei in. Serveer, uiteraard, met iets bubbeligs.
Ik was écht van plan om jullie deze nog voor kerst aan te bieden. Maar ik kwam er zelf uiteindelijk pas op kerstochtend aan toe om hem te bakken, en heb er zojuist pas de eerste plak van gegeten. Als tweede kerstdag-kerstontbijt. En toen bedacht ik me dat een kersttulband die zó lekker is, zich niet hoeft te beperken tot die 2 dagen per jaar, en dus krijgen jullie hem alsnog. Door de appel is het een vochtige, enigszins compacte cake die zo´n 5 dagen houdbaar is (en zelfs lekkerder wordt als ie wat langer staat) Een ideaal baksel dus om in huis te hebben in deze vakantieweek waarin misschien wel onverwachte thee- of koffievisite op de stoep staat.
Als je geen gedroogde cranberries hebt kun je ook rozijnen gebruiken, en in plaats van 2 appels kunnen er ook 2 kleingesneden peren in. De smaak van sucade is voor mij onlosmakelijk verbonden met de eindejaarstijd (sucade hoort in het kerstbrood en in de oliebollen, wat mij betreft) maar kun je dat niet krijgen of vind je het niet lekker, laat het gerust weg.
O, en als je tulband net als die van mij gedeeltelijk in de vorm blijft plakken: gewoon netjes weer in elkaar metselen en bedekken met de mantel der liefde, ook wel bekend als poedersuiker.
Kerst-tulband (naar een recept van Dorie Greenspan uit Baking from my Home to Yours)
350 gram bloem 1 theelepel bakpoeder 1/2 theelepel baking soda 1/2 theelepel zout 225 gram zachte boter 250 gram lichtbruine basterdsuiker 3 eieren250 ml karnemelk, op kamertemperatuur 2 appels, geschild en in kleine blokjes 2 eetlepels fijngehakte sucade 75 gram gedroogde cranberries 2 eetlepels rum rasp van een sinaasappel
Verwarm de oven voor op 185 C. Vet een grote tulbandvorm goed in met boter en bestuif met een beetje bloem. Doe de cranberries, sinaasappelrasp en rum in een kommetje en laat even weken. Meng in een kom de bloem met de bakpoeder, baking soda, en zout. Roer in een andere kom de boter zacht en schuimig met de suiker. Voeg 1 voor 1 de eieren toe. Voeg omstebeurt beetjes bloem en karnemelk toe, eindig met bloem. Meng tenslotte de stukjes appel, de sucade en de cranberries erdoor. Schep het beslag in de vorm en strijk de boven kant glad met een spatel. Bak de tulband ca. een uur (de mijne duurde iets langer). Test met een satéprikker of hij gaar is, er mag geen vochtig beslag meer aankleven.